Back To Top

Relaxed Vision Centre en i.Scription Dealers zoekfunctie

Categorie

Optische knowhow van micro tot macro

Innovatie van ZEISS kan worden aangetroffen in alles van microscopen tot op maat gemaakt glas in brillen

Carl Zeiss houdt zich al 160 jaar bezig met onderzoek naar de wisselwerking tussen glas en het menselijk oog. De onderneming is pionier op het gebied van vrijwel alle optische disciplines. Het onderzoek van Carl Zeiss heeft de wereld talloze uitvindingen en nieuwe ontwikkelingen geschonken die tot op de dag van vandaag verbeteringen opleveren op het gebied van de microscopie, ruimte- en camera-optica. Het deskundigheidsniveau van Carl Zeiss op het gebied van visuele optica wordt nergens geëvenaard. En als iemand die een bril of contactlenzen draagt kunt u dankzij deze deskundigheid profiteren van alle voordelen van uitstekend zich

Oog en bril worden in een optisch systeem gecombineerd

Innovatie van ZEISS kan worden aangetroffen in alles van 's werelds eerste microscoop tot op maat gemaakt brillenglas

Innovatie van ZEISS kan worden aangetroffen in alles van 's werelds eerste microscoop tot op maat gemaakt brillenglas

Oog en bril worden in een optisch systeem gecombineerd
De wisselwerking tussen oog en bril is allesbehalve simpel. Dankzij dit inzicht heeft het onderzoek van Carl Zeiss alles wat nodig is om onconventionele benaderingen te kiezen. Wij maken meer dan alleen brillenglazen. Ons doel is patiënten perfect, superieur zicht te bieden door een optimale interactie te creëren tussen het oog en het visuele hulpmiddel - het brillenglas.

 

Echt perfect zicht is het resultaat van de harmonieuze wisselwerking tussen de hoog ontwikkelde optische systemen en de natuur.

Het begon allemaal met de microscoop - in 1847

In september 1847 begon Carl Zeiss eenvoudige microscopen te produceren. Deze werden voornamelijk gebruikt voor preparatiewerkzaamheden. Hij werkte indertijd vanuit zijn nieuwe werkplaats, op Wagnerstrasse 32 in het Duitse Jena.

Toen al waren hulpmiddelen van Zeiss superieur aan de andere. De jonge onderneming verkocht in dat eerste jaar maar liefst 23 van deze prepareermicroscopen. In de loop van de daaropvolgende jaren werden deze modellen continu verbeterd.

Dit was een opzienbarende prestatie aangezien al deze apparaten eerder het resultaat waren van een proefondervindelijke benadering dan van wetenschappelijke kennis. Dit mag dan moeilijk te geloven zijn - maar het is een feit en het kon ook niet anders. Uiteraard was het ook een uitermate tijdrovende en dure aanpak.

Een andere factor was dat de algehele kwaliteit van de eerste microscopen tamelijk basaal was en de beeldweergave enigszins troebel. Carl Zeiss stelde hogere eisen aan zijn producten en ontdekte al in een vroeg stadium - naarmate de mechanisatie voortschreed en de eerste industriële productie plaatsvond - dat het van essentieel belang was wetenschap en fabricage te combineren om hoogpresterende instrumenten op een efficiënte wijze te vervaardigen.

In 1866 nam hij - met het oog op het ontwikkelen van verbeterde microscooplenzen - contact op met de arts en wiskundige dr. Ernst Abbé, die toen 26 jaar oud was en tevens doceerde aan de Universiteit van Jena, kort nadat de duizendste microscoop de Zeiss-fabriek had verlaten.

De partnerschap tussen deze twee vernieuwende denkers resulteerde in opzienbarende technologische ontwikkelingen. Abbé bedacht de nieuwe theorie van beeldontwikkeling in microscopen, waarbij hij zijn uitgangspunt nam in de diffractietheorie (golfoptica). De thesis werd in 1873 gepubliceerd.

Abbé gebruikte zijn theorie om de parameters voor nieuwe microscooplenzen te berekenen. Uiteindelijk voorzag Abbé de productie van lenzen van een volledig wetenschappelijk fundament bij het ontwerpen van meetinstrumenten die noodzakelijk waren voor de fabricage van lenzen die zonder uitzondering konden buigen op hoge kwaliteitsstandaarden.

Al in zijn vroege werkzaamheden was Abbé zich bewust van het feit dat microscooplenzen alleen konden worden geperfectioneerd en dat het volle potentieel ervan pas kon worden ontrafeld als er nieuwe glastypen werden gebruikt. Om dit te bereiken nodigde hij in 1882 glasscheikundige Otto Schott uit naar Jena. In 1884 werden Zeiss en Abbé vennoten in het pas opgerichte laboratorium voor glastechnologie Schott & Genossen.

Talloze nobelprijswinnaars werken met ZEISS-producten

Robert Koch, Winnaar van de nobelprijs voor de geneeskunde in 1905.

Robert Koch, Winnaar van de nobelprijs voor de geneeskunde in 1905.

Koch wordt beschouwd als de grondlegger van de moderne bacteriologie. Koch, een plattelandshuisarts, ontdekte in de jaren tachtig van de negentiende eeuw de tuberculosebacterie en het choleravirus. "Veel van wat ik heb bereikt werd mogelijk gemaakt door uw voortreffelijke microscopen", schreef Koch in een brief aan Zeiss. In 1904 ontving hij de 10.000ste homogene-immersielens cadeau.

Richard Zsigmondy, Nobel Price in Chemistry 1925.

Richard Zsigmondy, Winnaar van de nobelprijs in de scheikunde in 1925.

Deze hoogleraar uit Göttingen verrichtte baanbrekend werk op het gebied van colloïdechemie. In 1903 vond hij de ultramicroscoop uit, in 1918 het membraanfilter en in 1922 het ultrafijnfilter. Ultramicroscopie (volgens Siedentopf/Zsigmondy) maakt minuscule deeltjes, waarvan de lineaire uitbreidingen eigenlijk onder de resolutiegrens liggen, zichtbaar.

Frits Zernike, winnaar van de Nobelprijs in de natuurkunde in 1953.

Frits Zernike, winnaar van de Nobelprijs in de natuurkunde in 1953.

In 1930 ontdekte deze Nederlandse natuurkundige, terwijl hij experimenteerde met reflectieroosters, dat hij het faseniveau van de individuele lichtstralen kon waarnemen. Hij besloot deze vondst op de microscoop toe te passen. Samen met ZEISS ontwikkelde hij de eerste fasecontrastmicroscoop. Het prototype daarvoor werd voltooid in 1936. Met deze microscoop kunnen levende cellen worden bestudeerd zonder deze te beschadigen met chemische kleurstoffen.

Manfred Eigen, winnaar van de Nobelprijs voor scheikunde in 1967.

Manfred Eigen, winnaar van de Nobelprijs voor scheikunde in 1967.

Deze biofysicus en oprichter van het Max Planck-instituut voor biofysische scheikunde in Göttingen ontwikkelde een verificatieproces voor een enkel molecuul. In samenwerking met zijn Zweedse collega Rudolf Riegler en met de bedrijven EVOTEC en Carl Zeiss produceerde hij in 1995 de eerste in de handel verkrijgbare fluorescentiecorrelatiespectroscoop ConfoCor.

Erwin Neher, winnaar van de Nobelprijs voor de geneeskunde in 1991.

Erwin Neher, winnaar van de Nobelprijs voor de geneeskunde in 1991.

Samen met hoogleraar Sakmann ontdekte hij op het Max Planck-instituut in Göttingen de elementaire mechanismen van de communicatie tussen cellen. Het proces omvatte tevens het uitvoeren van elektrofysiologische experimenten op ionenkanalen met behulp van de Patch-Clamp-techniek.

Bert Sakmann, Nobel Price in Medicine 1991.

Bert Sakmann, winnaar van de Nobelprijs voor de geneeskunde in 1991.

Voor de visuele controles tijdens de zojuist genoemde experimenten moesten de twee wetenschappers kunnen vertrouwen op beelden die superieure contrasten weergeven met een hoge optische resolutie. Ze maakten daarbij gebruik van rechtopstaande microscopen, die allemaal door Carl Zeiss werden geleverd en die speciaal waren ontworpen voor deze toepassingen.

De geschiedenis van de toekomst schrijven

Grenzen gaan open en verdwijnen. Er ontstaan nieuwe dimensies - dimensies die een paar jaar geleden alleen nog mogelijk waren in science fiction. De technologische mogelijkheden van ultramoderne microscopie zijn nog steeds immens en er is nog veel dat nog niet is verkend. Telemicroscopie over de hele wereld; digitale communicatie met de snelheid van het licht. Driedimensionale beeldreeksen met hoge resoluties, voortreffelijk contrast in realtime...

Carl Zeiss kan originele Van Gogh-schilderijen onderscheiden van vervalsingen

Voor schilderijen van Vincent van Van Gogh worden op galerieën en veilingen vandaag de dag kapitale bedragen neergeteld - bedragen waarvan de artiest gedurende zijn leven niet had durven dromen. Na zijn tijd in Antwerpen en Parijs schilderde Van Gogh in een periode van slechts 16 maanden 187 schilderijen in Arles, een klein stadje in de Provence. Deze creatieve fase wordt gemarkeerd door de kenmerkende blauwe en gele kleuren die worden geassocieerd met het zuiden van Frankrijk en die in al deze schilderijen terugkomen. Er zijn echter sommigen die geloven dat niet alle schilderijen uit die tijd die aan Van Gogh worden toegeschreven ook werkelijk van deze meester zijn.

 

Er is momenteel een onderzoeksproject gaande om de feiten te achterhalen. In een samenwerking met het Van Gogh-museum in Amsterdam en Shell bestuderen werknemers van Carl Zeiss de echtheid van deze schilderijen.

 

Microstructuren, pigmenten en de grondlagen van de schilderijen tonen aan wie de echte schepper van deze schilderijen was. De onderzoekers werken met een transmissie-elektronenmicroscoop (TEM) om de ultradunne losgekomen verfdeeltjes te analyseren. Het resultaat kan in een zucht een aan Van Gogh toegeschreven schilderij waardeloos maken.

 

Hoe gaat dit proces in zijn werk? Een ionenbundel snijdt microscopisch kleine deeltjes uit het materiaal in de vorm van dwarsdoorsneden. Het geprepareerde monster wordt onder de TEM gelegd en wordt onderzocht met gebruikmaking van een speciaal analyseprocédé waarmee de exacte samenstelling van het materiaal in het monster kan worden vastgesteld.

 

Tot welke slotsom kwamen de onderzoekers? Van Gogh gaf de voorkeur aan een basis van wit loodpigment vermengd met perkamentwit. Dankzij de TEM is het mogelijk de afzonderlijke materiaalvoorkeuren en verftechnieken van een schilder 120 jaar na de voltooiing van een schilderij te herkennen.

 

Deze website maakt gebruik van cookies. Cookies zijn kleine tekstbestanden die door websites op uw computer opgeslagen worden. Cookies worden veelvuldig gebruikt en helpen webpagina's met een geoptimaliseerde weergave en het verbeteren daarvan. Door gebruik te maken van onze webpagina's gaat u daarmee akkoord. meer

OK